Sarnix.Blog Rotating Header Image

November, 2008:

Sarnix doet zijn beklag

Hoewel Sarnix niet alleen te klagen heeft, want hij heeft voor 15 euro het verzameld werk van Gerard Reve bij de Slegte kunnen kopen. En terwijl ik vanavond in “Op weg naar het einde” van Reve aan het lezen was, waarin het literaire wonderkind H.M. in voorkwam (Reve’s woorden), verzamelden zich in mijn hoofd gedachten rond deze H.M.

Het gaat natuurlijk over Harry Mulisch en dat Reve hem een literair wonderkind noemt is begrijpelijk, zeker bezien vanuit het moment van schrijven. Desalniettemin voel ik me altijd geroepen om het enthousiasme rond Mulisch wat te temperen. De oorzaak ligt hiervan ligt in een ver verleden. Ik was 19 jaar oud en reisde in die tijd veel per trein. Zo reisde ik op een zondagavond van Rotterdam naar Venlo, een 2.5 uur durend traject. Om deze te overbruggen had ik “Voer voor psychologen” bij me en was bijzonder, maar dan ook bijzonder nieuwsgierig naar de inhoud. Misschien van alle teleurstellingen in mijn leven was dat niet de grootste, maar dan toch zeker wel de grootste literaire teleurstelling. Een niemandalletje vol nietszeggendheden en ik kan me daar niet in genoeg tautologieen over uitdrukken.

Ik las dat zijn vader hem voorlas uit Schopenhauer toen H.M. 5 jaar oud was met de suggestie, of was het een insinuatie, dat H.M. een groot, zo niet de grootste, filosoof was. Ik las dat hij als geen ander de dialoog bij Dostojevski had bestudeerd en als geen ander in zag dat Aantekeningen uit het ondergrondse een kentering was in Dostojevski’s oeuvre. Over de dialoog van Dostojevski had hij niets te zeggen, behalve dat hij hem als geen ander had bestudeerd. En de genoemde kentering is voor iedereen en ook voor iedereen voor Mulisch zo klaar als een klontje en is een uitspraak die in ieder stukje proza gewijd aan Dostojevski kan worden teruggevonden.

Het probleem van H.M. is dat hij zichzelf als een bijzonder intelligent persoon beschouwt, waar hij op zijn best een redelijk intelligent persoon is. Zijn gedachten en ideeen zijn altijd bijzonder overzichtelijk in die zin dat de spanwijdte van zijn gedachten en ideeen altijd erg overzichtelijk is. Waar schrijvers als bv. Vestdijk en Hermans scherpzinnige personages neer kunnen zetten, daar weet H.M. consequent en nauwgezet de plank mis te slaan. Grote voorbeeld zijn Max en Onno uit De ontdekking van de hemel. Je kunt een buitengewoon intelligent personage neer willen zetten, maar je kan geen intelligenter personage dan je zelf creeeren. Zo kan hij Onno hyperintelligent noemen, maar uit zijn woorden en handelingen blijkt Onno toch maar erg gewoontjes in zijn intelligentie om over Max maar te zwijgen. (Ik overdrijf een beetje en noem Onno altijd een dumb fuck, maar dat voert net te ver.)

Terwijl ik zo mijn vertrouwde riedeltje over H.M. in mijn hoofd afdraaide bedacht ik me dat wat voor Mulisch opgaat voor wat wellicht als algemeen de top van de nederlandse literatuur wordt beschouwd opgaat. Mulisch is iemand, die boeken schrijft die ik niet hoef te lezen, maar die in TV-programma’s of interviews wel aardig is om te lezen, te zien of naar te luisteren. Dat geldt eveneens voor Leon de Winter, A.F.Th. van de Heijden en Cees Nooteboom. Stuk voor stuk interessante schrijvers om naar te luisteren en te zien, maar niet om te lezen, integendeel.

Net als in eerdere stukjes kom ik niet met een expliciete pointe. Geen statement over de huidige stand van zaken in de nederlandse literatuur. En Jan Siebelink laat ik vooralsnog ook met rust. Ik heb mijn beklag gedaan, pointes zoek je zelf maar (en dat is niet zo vervelend bedoeld als het wellicht overkomt).

Merleau-Ponty in de praktijk

Onderstaand stukje is gekopieerd uit de college-tekst van Awee Prins

Allerlei gedragingen, van het eenvoudig ‘vinden’ van de deurknop tot het meer gecompliceerde auto-rijden en piano-spelen, worden niet gedragen door bewuste akten, maar door een pre-reflexief, lichamelijk georiënteerd “kunnend-weten” dat aan de reflexie vooraf-gaat en dat ons leven eerst werkelijk draagt.

Gisteren maakte ik mijn lunch klaar: 2 maisboterhammen besmeer ik licht met mayonaise, op beide boterhammen leg ik plakjes oude kaas, die besmeer ik licht met curry , op 1 van die boterhammen doe ik gegrilde yorkham en daarop een berg rucola. Boterhammen op elkaar, beetje aandrukken en het grootste gedeelte van mijn lunch is gereed.

Mijn lichaam weet dat ik hard moet schudden om de curry uit de fles moet krijgen, omdat hij bijna leeg is. Mijn lichaam weet dat, maar denkt daar verder niet bij na. Het is nl. kunnend-weten. Zo weet mijn lichaam niet dat ik een nieuwe fles curry heb moeten aanbreken. Het kan het evt. kunnen voelen aan het gewicht, maar het zijn vooral mijn hersentjes die voor de realisatie moeten zorgen. Mijn hersentjes laten het op zulke momenten altijd afweten. Reflexie is niet altijd aan hen besteed en dus ligt er een enorme plas curry op mijn boterhammen.